Studiegids

nl en

Materiële cultuur van het oude Egypte

Vak 2016-2017

Toegangseisen

De oudste geschiedenis. Egypte en het Nabije Oosten tot ca. 1000 voor Christus, of: Gilgamesh, Mozes, Echnaton: godsdienst in het oude Nabije Oosten.

Beschrijving

D.m.v. bezoeken aan het RMO (Rijksmuseum van Oudheden) wordt aan de hand van concrete objecten de kennis van de materiële cultuur uitgebreid en verdiept, waarbij diverse aspecten (archeologische, kunsthistorische, etc.) uitvoerig aan bod komen.

Leerdoelen

Het vergroten van de in het college ‘Materiële cultuur van het Oude Nabije Oosten’ opgedane basiskennis met verdere feitenkennis, maar ook inzicht in hoe men artefacten kan benaderen. Het verkrijgen van een veelzijdig, gedetailleerd, analyserend en kritisch observatievermogen is een hiermee samenhangend evenwaardig doel. Een verder doel is het ontwikkelen van het vermogen de essentialia van een stuk opgegeven literatuur schriftelijk in goed Nederlands (!!) samen te vatten en mondeling voor aanvang van het college te presenteren.
Egyptische archeologie I-II (5532 KEA1 resp. 5532 KEA2) en Egyptische Kunstgeschiedenis (5533 KEGK) volgen hierna en bouwen hierop voort.

Rooster

Rooster

Onderwijsvorm

  • Hoor- en responsiecollege

Studielast

5.0 EC (=140 u);
26 uur college
2 uur tentamen
111 uur besturen vakliteratuur + referaten
1 uar nabespreking toetsing

Toetsing

Schriftelijk tentamen aan het einde van het tweede blok met (invul)vragen over een reeks afbeeldingen en essayvragen over de bestudeerde literatuur en de collegestof. Vóór de eindtoets 2- wekelijks schriftelijke samenvatting van een deel van de te bestuderen literatuur die mondeling op het college wordt gepresenteerd. Presentatie weegt voor 30%, het tentamen voor 70%. N.B. Deze weging van beide cijfers vindt alleen plaats met een voldoende voor het tentamen. Herkansing : schriftelijk tentamen (100%).

Blackboard

Blackboard.

Literatuur

  • W. Stevenson Smith, 1981, The Art and Architecture of Ancient Egypt (3e herziene druk door W.K. Simpson, Harmondsworth 1998; ook in paperback, Penguin Books)
  • P. Janosi, Die Gräberwelt der Pyramidenzeit, Mainz, Philipp von Zabern 2006, 3-32.
  • S. Ikram, A. Dodson, The Mummy in Ancient Egypt. Equipping the dead for eternity(London, 1998), chapter 7: Coffins (193-243), chapter 8, Sarcophagi (244-275).
  • J.H. Taylor, Death & the Afterlife in Ancient Egypt (London, 2001), chapter 7, The chest of life: coffins and sarcophagi (214-243).
  • A.M. Roth, Opening of the Mouth, in: D.B. Redford (ed.), The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt vol. 2, (Oxford, 2001), 605-609.
  • D. Klemm e.a., Die pharaonischen Steinbrüche des silifizierten Sandsteins in Ägypten und die Herkunft der Memnonkolosse, MDAIK 40 (1984), 207-220.
  • R. Stadelmann, Die Herkunft der Memnon-kolosse: Heliopolis oder Aswan, MDAIK 40 (1984), 291-296.
  • M. Lehner, The development of the Giza necropolis: The Khufu Project, MDAIK 41 (1985), 109-143.
  • C.A. Hope, Egyptian Pottery, 2e editie, Shire Egyptology, (Princes Risborough, 2001).
  • R. Holthoer, New Kingdom Pharaonic Sites, The Pottery, (Stockholm, 1977), 1-59.
  • D. Aston, Describing pottery, in: D. Aston, Die keramik des Grabungsplatzes Q1: Corpus of Fabrics, wares and Shapes, FORA1, Mainz (1998), 23-59.
  • E. Otto, Das ägyptische Mundöffnungsritual II (Wiesbaden, 1960), 1-33.
    Collegestof.

Kopieën van de te bestuderen hoofdstukken en artikelen zijn via de balie van de NINO-bibliotheek te consulteren.

Aanmelden

uSis.

Contact

Dhr. Dr. R. van Walsem

Opmerkingen

Omwille van een goede toegankelijkheid voor alle deelnemers tot de behandelde objecten is de groepsgrootte op 15 personen gesteld, waarbij hoofdvakstudenten OCMW (=Egyptologie, Assyriologie en HATC) voorrang krijgen boven andere categorieën belangstellenden.